Andalusië, meivakantie 2015

Andalusië in de meivakantie van twee weken. We hebben het eerder gedaan en het is goed bevallen. Vooral door er niet in één keer heen te jakkeren, maar de heen- en terugreis in afwisselend kort en lange, behapbare etappes met leuke stops te verdelen. De temperaturen zijn heerlijk in Zuid-Spanje, eind april/begin mei en we zijn er nog lang niet uitgekeken.

We vertrekken vrijdag halverwege de middag, maar achteraf hadden we beter zaterdagochtend kunnen gaan rijden. Wat een spits- en vakantiedrukte op de weg! We komen maar tot Antwerpen, waar we overnachten op camperplaats Vogelzang. Dit was voorheen een camping; de sanitairgebouwen staan er nog, compleet vervallen en niet meer in gebruik. Er staat een klein kioskje waar je broodjes hamburger of worst kunt krijgen en er is een klein barretje met een terrasje. 

De volgende overnachtingsplek is een stukje onder Tours. Daar staan we op camperplaats Aire du Bois Chaudron. Een leuke ‘camping voor campers’ in het groen, in Ste Maure de Touraine. De campers staan hier – net als op Vogelzang – voor het grootste deel op het gras en de plek is omringd door bomen. Niet geweldig voor langere tijd, maar voor een tussenstop super! Je kunt er naar de wc, douchen, toilet legen, schoon water tanken, wassen, drogen. De 3e overnachting is op de camping in Burgos

Maandag rijden we een paar honderd kilometer en we arriveren tussen de middag op camping Osuna in Madrid. We nemen de metro – op 10 loopminuten vanaf de camping – naar het centrum. We gaan eerst naar het Prado; het hoofddoel van onze stop in Madrid. De collectie van voornamelijk Vlaamse, Nederlandse (1 Rembrandt), Italiaanse en Spaanse (veel Goya) schilders uit de Middeleeuwsen tot begin 20e eeuw is geweldig! Na het Prado nemen we de metro naar het stadscentrum. We slenteren door een overdekte markthal, drinken wat op het Plaza Mayor en wandelen door de straten eromheen. Avondeten doen we op Plaza Isabel II bij metrostation ‘Opera’, zodat we daarna zó de metro terug naar de camping kunnen nemen, zonder overstap.
camping Osuna, Madrid
Via een heel mooie rit door het groene Spaanse landschap rijden we dinsdag naar Sevilla, waar we op camping Villsom gaan staan. Het is een mooi terrein met veel bomen; o.a. palmen en sinaasappelbomen. Een soort oase met daaromheen verkeerswegen, bedrijven en huizen. We blijven hier 3 dagen en hebben een vaste routine: na het ontbijt werk ik een paar uur in het campingrestaurant, waar WIFI is en Wim zit te lezen bij de camper. Aan het begin van de middag nemen we de lijnbus (de halte is op 5 minuten loopafstand van de ingang van de camping) naar het centrum van Sevilla waar we tot aan het eind van de avond de bezienswaardigheden bekijken. Zelfs als je – zoals wij – torenhoge verwachtingen van Sevilla hebt, is het een geweldige stad. Er heerst een rustige sfeer – als je je niet te veel aantrekt van de hordes schoolkinderen die op excursie zijn en de toeristen, en oppast voor de langs sjezende fietsen (even opletten dat je niet per ongeluk op het fietspad loopt, dat is aangegeven met metalen dopjes met een fietsje erop in de stoep.
Sevilla
De stad is vanaf 1992 opgeknapt en de meeste huizen en andere gebouwen zitten strak in de verf en zijn versierd met (vaak nieuwe) tegeltableaus (azulejos). We laten ons leiden door wat het ANWB-gidsje over Andalusië de hoogtepunten vindt en vinken ze op ons gemakje één voor één af: o.a. Palacio Espagnol (een in 1929 gebouwd barok paleis) Real Alcázar (heel oud Moors paleis), de kathedraal (op 3 na grootste van de wereld met een schitterend exterieur en interieur), Barrio de San Cruz, de historische Joodse wijk (juderia) met smalle straatjes en leuke pleintjes en allemaal witte huizen met versieringen in geel of oranje, balkonnetjes met bloemen en ramen met gietijzeren traliewerk ervoor, Metropol Parasol (een enorm parasolachtig, houten kunstwerk dat een oud marktplein overspant en waar je bovenop kunt lopen), Hospital de los Venerables (gebouw met indrukwekkend interieur met Moorse en barokke elementen), Casa de Pilatos (een adellijk woonhuis (nog steeds bewoond) met Moorse architectuurelementen, zoals bewerkte bogen en enorm veel azulejos.
Real Alcázar, Sevilla
Sevilla, Hospital de los Venerables
Na nog een laatste kopje koffie in het campingrestaurant, zodat we de vrouw die de afgelopen dagen zo veel kopjes café solo en café con leche voor ons heeft ingeschonken, gedag kunnen zeggen, rijden we zaterdag naar El Rocío, ten zuidwesten van Sevilla. Dat is een heel bizar stadje. Het bestaat uit allemaal witte, meest grote, huizen met de bekende Andalusische versieringen en brede straten met een wegdek van zand. Voor de meeste huizen is een paardenstang waar de leidsels van de paarden omheen geslagen kunnen worden. Het lijkt net een westernstadje. Maar het is een zigeunerstadje. Bijna alle huizen zijn van een ‘Hermandad’; een broederschap van Roma. Aangezien de Roma natuurlijk zwervende zigeuners zijn, staan de meeste leeg. Met Pinksteren komen de Roma van heinde en ver naar El Rocío bij wijze van bedevaart en wonen dan tijdelijk in hun broederschapshuis. Het plaatsje is normaal wat uitgestorven, maar met Pinksteren moet het er een complete gekte zijn.
Centraal in het stadje staat een enorme witte kathedraal met ervoor een groot plein, ook van zand. Op het plein staan koetsjes, janpleziers, paarden en pony’s waar toeristen een tochtje mee kunnen maken. El Rocío ligt in een groot natuurgebied; de delta van de Guadalquivir, de rivier die ook door Sevilla stroomt. Direct naast het stadje ligt een grote vijver. Vanuit een ornithologisch centrum aan de rand van het stadje zien we door een telescoop (en door de zoomlens van mijn camera!) herten en paarden aan de overkant.
El Rocío
El Rocío ligt in Nationaal Park Doñana; dit omvat de delta van de Guadalquivir. Er zijn verschillende bezoekerscentra. We bezoeken er één en maken er een korte wandeling over een vlonderpad door een stukje natuurgebied met (niet gecultiveerde) olijfbomen, pijnbomen, struiken en wilde bloemen. We bezoeken ook nog even ‘Parque Dunar’, een duingebied dat onderdeel is van Nationaal Park Doñana. 

De volgende stop is camping El Palmar in het gelijknamige plaatsje, in de buurt van Vejer de la Frontera, een Moors, wit stadje. El Palmar is een vrij kleine camping met een receptiegebouwtje en een sanitiairgebouw in Moorse stijl; heel apart. Het is 10 minuten lopen naar het strand.
Vejer de la Frontera
Vanaf El Palmar maken we een mooie rit langs de kust. Eerst door een pijnbomenbos en daarna door velden vol met voorjaarsbloemen. Dit deel van de kust is gelukkig niet volgeplempt met hoogbouw. De Spanjaarden willen dit gebied zo ongerept houden, maar hopen wel op meer toeristen. 

We stoppen voor een lunch in Zahara Atunes, beroemd om zijn tonijn/atunes, dus we bestellen in een strandtentje verse tonijn. We overnachten op één van de vele campings in Tarifa, het zuidelijkste puntje van Spanje, waarvandaan het maar 15 km naar Afrika is. We hebben uitzicht op het strand dat zo te zien ’s middags het domein van de kitesurfers is en ’s ochtends van de koeien. En ’s nachts zwaait er voortdurend een zoeklicht over het strand; blijkbaar om te controleren of er geen vluchtelingen uit Afrika (dat je trouwens goed kan zien liggen) landen.

We rijden van Tarifa naar El Torcal de Antequera, een natuurgebied met heel bijzonder gevormde rotsen. We zitten al snel op de snelweg, die we volgen tot net voor Málaga. We krijgen zo een goede indruk van de kust. Voorbij Tarifa wordt het landschap net achter de kust al snel bergachtig en dat blijft zo. Het eerste stuk is nauwelijks bebouwd, bij Marbella zie je veel appartementengebouwen die zich redelijk ‘voegen in het landschap’ en bij Torremollinos (vlak voor Málaga) is de kust helemaal volgebouwd met appartementengebouwen en hoge flatgebouwen. Vanaf Málaga naar het noorden rijden we door de heuvels; een schitterende rit. Op een gegeven moment zie je een grote rots in het landschap opdoemen: El Torcal. Als je bij de rots bent, rijd je al haarspeldbochtend naar de grote parkeerplaats bij het bezoekerscentrum. Er zijn twee wandelingen door het gebied uitgezet; één van 3 kwartier en één van 2 uur. Wij kiezen de laatste. Deze is nergens echt moeilijk of vreselijk vermoeiend, maar rechttoe rechtaan is het zeker ook niet; je moet aardig wat over rotsblokken klauteren. Je kunt met je camper overnachten op de parkeerplaats, maar wij besluiten nog wat verder naar het noorden te rijden en op Maria Eugenia, een klein campinkje vlakbij Granada, te gaan staan.
El Torcal de Antequera
Onderweg door Andalusië
In het niet zo toeristische noordoosten van Andalusië bezoeken we Baeza en Úbeda, twee stadjes met veel gebouwen uit de Renaissance, die samen op de UNESCO Werelderfgoedlijst staan. In Úbeda parkeren we de camper op een piepklein parkeerplekje in het centrum en maken een wandeling langs de palacio’s en kerken in het historisch stadscentrum. Ook brengen we een interessant bezoek aan de Synagoge del Agua. Hier start net een rondleiding, in het Spaans. We krijgen daarom een map met Engelstalige informatie mee. Wij zijn de enige bezoekers en al spreekt onze gids geen Engels, ze doet enorm haar best ons alles uit te leggen, want dat is toch leuker dan ons steeds leespauzes te geven. Doordat ze heel duidelijk en langzaam Spaans praat en een paar woorden Engels gebruikt, kunnen we haar aardig volgen. De synagoge is gebouwd in de tijd van de Spaanse jodenvervolgingen, in de Middeleeuwen, verstopt in drie verbouwde woonhuizen waarvan de oorspronkelijke binnenmuren weggehaald zijn. Op een paar foto’s kun je zien hoe de totaal vervallen synagoge een paar jaar geleden helemaal gerestaureerd is. We wandelen ook een stukje langs de rand van het stadje, waarvandaan je een schitterend uitzicht over de olijvenvelden hebt. Ze noemen de olijven hier ‘het groene goud’, vertelde de medewerkster van het toeristenbureau ons.
Úbeda, bad in de synagoge
Na Úbeda rijden we naar Baeza, dat maar 10 kilometer verderop ligt. Hier parkeren we op de Plaza de Toros, een parkeerplaats tegen het historisch centrum aan, waar je met je camper mag overnachten. We hebben een heerlijk plekje onder de bomen, die prachtig in bloei staan. Het centrum is een stuk kleiner dan dat van Úbeda. Beide zijn zeker de moeite van een bezoekje waard.
Overnachting op Plaza de Toros, Baeza
Vanaf nu rijden we steeds een stukje verder naar het noorden. De volgende stop is op camping Puzol, 20 km boven Valencia. Het eerste deel van de rit ging door de bergen en is erg mooi, het laatste deel was nogal saai. Kan ik mooi werkmails beantwoorden… 

Camping Puzol bestaat voor het grootste deel uit seizoensplekken, maar er is een speciaal deel voor toerders en daar is het redelijk bezet, wat het wel gezellig maakt. Het is een paar minuten lopen naar het strand. Tussen de camping en het strand ligt een stuk braak terrein en er staan allemaal lage appartementengebouwen. Vanaf het strand heb je de ene kant uitzicht op een industriegebied en de andere kant op hoge toeristenflats. Niet erg aantrekkelijk allemaal, al is er met het strand zelf niets mis.

Over de wat saaie snelweg langs de kust rijden we naar naturistencamping Relax-Nat, in Mont-ras; ten oosten van Girona en een stukje het binnenland in vanaf de Costa Brava.

Lees het hele reisverslag
Bekijk het hele fotoalbum

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen